Inhoudswaarschuwing
Grof taalgebruik

Ik trek de deur van het café achter me dicht en sluit daarmee de mistige nacht buiten. De vier mannen aan de toog draaien hun hoofd om. Gert groet me. Ik steek bij wijze van tegengroet mijn hand op.
De eigenaar komt uit de keuken met een paar tosti’s en zet ze op de bar. “Hey man, hoe was het?”
Ik zwijg en blijf bij de deur staan alsof ik nog niet weet of ik blijf of dat ik weer ga.
“Heb je ze gezien?” vraagt Peter.
Ik schud mijn hoofd.
“Ben jij gezien misschien?”
“Dan had ik hier niet gestaan, dat weet jij ook wel.” Ik loop naar mijn vaste plek in de hoek. Met mijn rug tegen de muur. Waar ik de deur kan zien. De eigenaar zet een glas bier voor me neer.
“Ik denk dat er meer dan één is,” ga ik verder.
Het was al stil in het café, maar nu bevroor het tafereel. Niemand bewoog, alsof iemand op de pauzeknop had gedrukt.
“Meer dan één?” fluistert Peter na een tijdje. “Godverdomme, dat is niet best. Helemaal niet best.”
“Het wordt tijd dat we er wat aan gaan doen,” zegt Gert. De andere drie bestuderen hun glas bier met een aandacht alsof er een nieuwe wetenschappelijke ontdekking in te vinden is.
Richard tilt uiteindelijk zijn hoofd op en vraagt: “Waarom denk je dat er meerdere zijn?”
Ik denk even terug naar het moment. “De wervelingen in de mist waren anders. Ik weet het niet precies, maar het leek … voelde … drukker. Het was deze keer ook dichterbij dan eerder.”
Gert staat op. “We moeten het aanpakken mannen of jullie nu willen of niet. Ik ga mijn spullen halen en ik wil dat jullie dat ook gaan doen. Ik hoop echt dat jullie nog een beetje lef in jullie donder hebben. We zien elkaar over tien minuten bij de rotonde.”
Iedereen staat op en loopt naar de deur. Ik ook.
De tosti is nog onaangeroerd.